à deux doigts

Dinsdag. Half twaalf. In het muffe leslokaal sleuren we ons met moeite door de al even muffe vakinhoud: Franse grammatica. Stoffige, klassieke, plaats-alles-in-tabelletjes-dan-snappen-ze-het-beter grammatica. Net op het moment wanneer we aan het gebruik van de subjonctif beland zijn, gaat de deur van het leslokaal langzaam open. Een brede kerel staat in de deuropening. Zijn ogen groot, zijn lippen samengeperst, in een excusez-moi-je-ne-voulais-pas-vous-déranger* uitdrukking trippelt hij naar binnen op de toppen van zijn tenen. Gegniffel golft door de klas terwijl hij met zijn ‘onopvallende’ getrippel alle aandacht naar zich toe trekt. “Désolé, je suis encore en retard”* zegt hij wanneer hij eindelijk bij de achterste rij -zijn vaste stekje- is aangekomen en zich met al zijn breedheid tussen de stoel en de tafel perst.

Elke week hetzelfde scenario.
En elke week moet ik er opnieuw om lachen. De oprechte verontschuldiging op zijn gezicht, vervolgens de slungelige poging om met zijn opvallende figuur zonder te storen de volledige klas te doorkruisen.

Zal ik me hem nog herinneren eens ik terug in België ben?
Misschien.
In ieder geval zijn het dit soort momenten die bijdragen tot een thuisgevoel, een verankering, het bewijs dat je deel hebt uitgemaakt van een groep, van een periode, van een hoop ervaringen die je maken tot de persoon die je nu bent.

Nog drie weken.

Ik geloof het niet.

*sorry-ik-wil-jullie-niet-storen
*Het spijt me, ik ben alweer eens te laat

Advertisements